Actrice Dilan Yurdakul over haar migratietrauma: ‘Ik heb niet van GTST kunnen genieten’
De bekendheid van haar jarenlange rol in GTST was een vlucht vooruit, maar ze heeft er nooit van kunnen genieten. De Amsterdamse actrice en theatermaakster Dilan Yurdakul debuteert als romanschrijfster met het autobiografische Maskerziel.
Later dit jaar is ze te zien in de hoofdrol in De jacht op Meral Ö, een speelfilm over het toeslagenschandaal. Maar eerst verschijnt haar autobiografische debuutroman Maskerziel. In boek en stuk staat de versplintering die migratie teweegbrengt centraal – ook bij de derde generatie waartoe Yurdakul (32) behoort: de maskers die ze opzet, de alter ego’s die ze aanneemt om zich in het leven staande te houden.
“Mijn boek is een poging mezelf beter te begrijpen. Om alle therapieën die ik heb gevolgd voorafgaand aan het helingsproces een plek te geven. Om vast te stellen waar bepaalde reflexen vandaan komen. Door mijn opgroeien in een disfunctioneel gezin. Door de voorgeschiedenis van mijn opa’s en oma’s die een weerslag had op mijn jeugd met alle eisen en verwachtingen die nooit werden uitgelegd. Waar zijn die maskers begonnen? Dat is de rode draad.”
In Maskerziel keert Yurdakul terug naar het gevoelige meisje van vroeger dat in de ruzies tussen anne en baba, haar ouders, de kant van haar moeder kiest want anders wordt die ook boos op haar; dat op school vertelt dat ze patat heeft gegeten omdat ze niet weet hoe de Turkse gerechten in het Nederlands te noemen; dat probeert te voldoen aan de eisen van een dwingende dede, grootvader, die zijn familie gijzelt in hoge verwachtingen. Een meisje dat in twee werelden tegelijk leeft maar toch ook al vroeg, stiekem, gelooft dat ze het in zich heeft artiest te worden.
‘Ik ben tot schaap opgevoed,’ is de openingszin van de proloog van Maskerziel. De hoofdpersoon is tot schaap opgevoed, om als schaap te lopen, te eten en denken. Om eeuwenoude routines en tradities niet te doorbreken, de kudde voorop te stellen en: om voor altijd een schaap te blijven. Maar ze besluit geen schaap meer te zijn. Yurdakul: “Ik onderzoek: waar is de conditionering begonnen? Maar óók: wat is de gevangenis die ik zelf bouw?”
Dat laatste is een belangrijke toevoeging. Bij het schaap dat ontsnapt aan de kudde, in een verhaal dat wortelt in een migrantengezin, zullen mensen al snel denken: een nieuwe Mano Bouzamour, of een nieuwe Lale Gül. Hun debuutromans leidden tot een breuk met hun familie, maar u kijkt al verder. Ja, u wil wég uit dat huis, wég uit dat leven. Maar er worden ook bruggen geslagen.
“Als kunstenaar is het heel belangrijk dat je je kunt inleven in anderen. Van mijn achttiende tot nu ben ik bezig geweest met het oplossen van de dingen die in de achttien jaar daarvoor zijn misgegaan. Waarom kan ik zo boos worden op mijn vriend, waarom was ik zo boos op mijn moeder? Wat zit in míj dat die boosheid triggert? Dat kon ik bij het schrijven van het boek uitdiepen. Dat is iets heel anders dan mijn vroege toneelwerk, dat was veel meer in your face, veel meer afzetten en provoceren. Ik wil in mijn boek niet beschuldigen, ik wil niet wijzen. Mijn helingsproces is mezelf af te pellen tot mijn ‘authentieke ik,’ om maar eens hele vieze woorden te gebruiken. Al is dat commercieel misschien minder interessant.”
Wat mij opviel bij het lezen: die ‘authentieke ik’ kreeg als jong meisje al haar eerste depressie. U schrijft veel over die zwarte kant: hoe het nooit goed genoeg is. De successen benoemt u haast terloops: toneelvoorstellingen met klinkende recensies, jarenlange bekendheid door uw rol in Goede Tijden Slechte Tijden (GTST).
“Ik ben niet ondankbaar dat ik dit allemaal heb mogen meemaken, maar ik heb er niet van kunnen genieten. Eigenlijk wilde ik er eerst helemaal niet op ingaan, ook omdat ik door GTST zo herkenbaar ben. Ik was bang dat mijn boek te veel een op een wordt gelezen, als een biografie, terwijl ik het wel in een romanvorm heb willen gieten. Maar ik kwam er niet omheen, het was zo’n grote rol voor het meisje dat ik was, dat nooit werd gezien en werd gepest. Het was zo’n vlucht vooruit, het heeft me houvast geboden en het heeft me geholpen op plekken te komen waar ik later ook weer ben weggegaan.”
Er zit natuurlijk ook een mooie echo in uw boek; u beschrijft de weinige geborgenheid die u van uw moeder krijgt als u als klein meisje ziek thuis bent en met haar naar GTST kijkt. En later spéélt u in die serie.
“Maar als je iets goed lijkt te doen voor de buitenwereld, zoals die rol in GTST, zou je bijna vergeten te kijken wat daar achter zit. Ik kickte er ook niet op dat mijn ouders het cool vonden dat ik erin speelde. Gezien willen worden is een basisbehoefte, niet omdat je iets kunt maar om wie je bent, om je ziel.”
U beschrijft in uw boek daarvan ook een heel cynische tegenhanger: bij de verdeling van toneelsubsidies ging het juist wel weer om wíe u bent, uw projecten moesten over vooral uw migratieachtergrond gaan. ‘Het is een verhaal dat werkt,’ schrijft u. En: ‘De journalisten noemen me moedig.’
“Cynisme is me niet vreemd, daar mag ik graag mee strooien. Als actrice word je inderdaad geconfronteerd met je achtergrond – was ik econoom geworden, dan had die toch minder geteld. Ik heb me er lang tegen verzet, maar ik besef nu ook dat daar goud ligt aan verhalen. Ik wilde eerst grote klassiekers maken, maar zag later in dat ik mezelf eerst beter moest begrijpen en dus sloeg ik toen de weg van het persoonlijke in. Dat is bij mij redelijk vanzelf gegaan. Het subsidiesysteem zit bovendien zo in elkaar dat je er bijna niet aan ontkomt. Maar als je me vroeger had gezegd dat ik daar nu zelf voorstellingen over wil maken en er een boek over zou schrijven, had ik wel gelachen.”
“Wat wel belangrijk is te benadrukken: het líjkt makkelijk een persoonlijke voorstelling te maken, of een persoonlijk boek te schrijven. Maar om jouw verhaal ook voor anderen herkenbaar te maken, moet je heel microscopisch te werk gaan en inzoomen op je eigen onvermogen en obstakels. Ik heb een groot deel van mijn leven in therapie gespendeerd, ik heb mijn depressies binnenstebuiten gekeerd. Het is in mijn schaamte dat mijn publiek en lezers herkenning zullen vinden. Dat is in ieder geval mijn missie.”
Heel herkenbaar voor vrouwen vond ik ook de obsessie van het meisje en de jonge vrouw met haar lichaam.
“En toen was er nog niet eens de druk van sociale media zoals jonge vrouwen die nu ervaren. Ik werd gepest, ‘die mollige meid’, ‘die harige Turk.’ Maar op een gegeven moment droog je op en word je nagefloten. Dat heeft voor veel verwarring gezorgd en een verwrongen seksueel beeld. Schoonheid is óók een masker om jezelf te verhullen – en andere delen van jezelf te onthullen. Maat, gewicht, het wordt op een gegeven moment een monster in je hoofd en dan komen daar ook nog de stemmen van anderen overheen.”
Van de stem van uw moeder had u nog het meeste last, blijkt uit Maskerziel. Heeft ze uw boek al gelezen?
“Ze vond het heel zwaar, moeilijk, pijnlijk, heftig, maar ook heel mooi. Haar stem was de luidste, zij had haar eigen obsessies en deed met mij nog een stapje erbij. Ik heb me tegen haar ook het meest afgezet. Maar op een gegeven moment heeft zij wel gezegd: Misschien moet ik eens naar je luisteren en daar iets mee doen. Dat had ik nooit verwacht, vijftien jaar geleden was zij degene die het hardst terug schreeuwde. Alleen was ik toen al zo ver in mijn eigen proces, dat het niet meer zo heel veel uitmaakte.”
“Mensen zijn bang om hun zwaktes te laten zien, of wat ze denken dat hun zwaktes zijn. Dat is waar maskers op de proppen komen. Maar ik schuw niet meer te laten zien wie ik ben, ik heb geleerd met genadeloze eerlijkheid naar mezelf en mijn angsten te kijken. Misschien ben ik daar zelfs wel een beetje masochistisch in: kom maar! Dit is wie ik ben! Dit is wat ik maak! Tegen de grenzen aan! Het gaat me er niet zozeer om hoe zielig ik was en wat ik heb doorstaan, maar dat ik blijkbaar toch een extra kracht in me heb waar ik me niet door wilde laten gijzelen. Er is hoop, maar je moet wel zelf kiezen.”